ter zitting
gepubliceerd op 04:02:2011
Bierpul als wapen
Marc Erwich
Aanklacht:
Primair poging tot doodslag, subsidiair zware mishandeling
Advocaat verdachte:
Dhr. H. Veen
Advocaat slachtoffer:
Mevr. Huisman
Officier van Justitie:
Mevr. Oosterwegel
Rechter:
Mevr. Perrick
Uitspraak:
17 februari 2011

In de bar van een hotel in het Oostenrijkse Mittelberg zijn Nederlandse jongeren aan het après-skiën. Het bier vloeit rijkelijk en er wordt flink gehost. Als een jongen ziet dat een andere jongen met zijn vriendin wil dansen slaat de sfeer om. Er ontstaat een opstootje, waarbij het slachtoffer een harde klap krijgt met een bierpul. Hij wijst via Hyves Jan G. als dader aan.

Het incident in het Oostenrijkse skioord vond een jaar geleden plaats. Dat het pas nu voor de rechtbank komt, vindt de verdachte ook vervelend. “Ik ben pas negen maanden later beschuldigd en wist nergens van. Als ik iets wist had ik me al lang gemeld, want ik heb hem niet geslagen.”

‘Ik dacht dat ik dood ging’
De impact van de klap is ondanks de verstreken tijd duidelijk zichtbaar bij het slachtoffer. Van zijn slaap tot achter het oor loopt een litteken. Zijn kraakbeen is beschadigd en het is onbekend of en hoe zich dat zal herstellen. Wanneer de rechter de verklaring van het slachtoffer voorleest, valt er een doodse stilte in de zaal. “Na de klap merkte ik eerst niks, maar toen voelde ik de zijkant van mijn hoofd warm en nat worden. Vrienden keken geschrokken naar me en voor de spiegel op de wc zag ik het bloed eruit spuiten. Ik dacht dat ik dood ging.”

De wond moest met 22 hechtingen gedicht worden. Als gevolg van het incident kampt de jongeman met slaapproblemen, heeft hij studievertraging opgelopen en is hij angstig. Zijn advocate eist een schadevergoeding van 3500 euro. “Dit is een voorschot op de schade, want de daadwerkelijk schade is niet te overzien.”

‘Geen spatje bloed gezien’
De verdachte reageert meelevend. “Ik vind het heel erg wat hem is overkomen, dat gun je niemand. Ik tenminste niet.” Voor de rechter blijft onduidelijk wat precies de rol van de verdachte in het opstootje is geweest. “In het begin ontkende u dat u in het hotel bent geweest en er zijn meerdere getuigen die verklaren dat u meedeed met de ruzie en een bierpul in uw handen had.”

De verdachte ontkent echter zijn aandeel in het incident. “Ik was gewoon een gezellig avondje uit. Op een gegeven moment ontstond er ruzie en was er wat duw- en trekwerk. Ik ben toen weggegaan en heb geen spatje bloed gezien.”

‘Ene Michel of Michael’
Het slachtoffer werd van achter geslagen en heeft daarom niet gezien van wie de klap kwam. Hij zag direct hierna de verdachte met een kapotte bierpul in zijn hand. De ernstig gewonde jongen dacht dat hij ‘Michel heette, of Michael.’ Dit was echter iemand anders en zijn identiteit blijft mysterieus. “Ik heb Michel leren kennen in het hotel en die avond wat met hem gedronken. De volgende dag heb ik niks meer van hem gehoord over de ruzie.”

Terug in Nederland kwam het slachtoffer er achter dat hij een verkeerde naam had opgegeven. Via vrienden hoorde hij de juiste voornaam en woonplaats van zijn vermoedelijke aanvaller en herkende hem op Hyves ‘voor de volle 100%’.

‘Ik ga toch niet zijn halve kop uit elkaar slaan’
Omgekeerd is dat niet het geval. Jan K. draait zich om en kijkt naar het slachtoffer. “Ik herken hem helemaal niet.” Hij begrijpt niet waarom hij aangeklaagd is. “Thuis heb ik een vrouwtje en kindje, dan ga ik toch niet z’n halve kop uit elkaar slaan?”

Uit de bespreking van de ‘persoonlijke omstandigheden’ van de verdachte blijkt dat de jonge Utrechter een strafblad heeft met daarop onder meer mishandeling. “Dat is het enigste, een stomme vechtpartij.” Een poging tot diefstal mompelt hij weg.

Eis
Voor de officier van justitie is poging tot doodslag door Jan G. wettelijk bewezen. Ze eist een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan zes voorwaardelijk. De advocaat van de verdachte is het daar totaal niet mee eens en houdt een vurig pleidooi waarin hij om vrijspraak vraagt. “Het slachtoffer heeft niet gezien wie hem geslagen heeft. Er is onvoldoende bewijs. Daarnaast zit hij al drie maanden in voorlopige hechtenis.”

De Utrechter sluit hierbij aan. “Ik zit al drie maanden vast in een hokje van twee bij vier. Dat is echt geen pretje hoor.” Hij heeft ook het laatste woord op de zitting. “Ik mis mijn kinderen en vrouwtje heel erg.”

Om privacyredenen is de naam van de verdachte gefingeerd

Geef een reactie