Als de rechter vraagt waarom hij weer een wietplantage is gestart, antwoordt de verdachte met een zachte stem “geldzorgen”. Hij heeft een grote schuld opgebouwd en kon geen andere manier bedenken om uit zijn financiële put te komen. Ondanks zijn geldzorgen ziet hij er niettemin erg verzorgd uit. Hij draagt stijlvolle schoenen en een merkjas.
Nadat de verdachte de omstandigheden van zijn misdrijf aan de rechter heeft uitgelegd, is het woord aan de officier van Justitie. “Als ik dit soort zaken zie dan vraag ik me af: wat bezielt zo’n iemand nou? Meneer is in april veroordeeld en heeft toen een boete gekregen van 17.000 euro. Vervolgens besluit hij zijn financiële problemen op te lossen door weer een wietplantage te beginnen.” De verdachte heeft hier wel een verklaring voor. Tijdens zijn vorige arrestatie waren enkel zijn wietplanten en zijn lampen in beslag genomen. Alle andere materialen, zoals slangen, potten en zeil, stonden er nog. De stap naar het opnieuw opzetten van de plantage was dus snel gemaakt.
Wanneer de rechter hem aan het begin van de zitting vraagt of de verdachte een wietplantage in twee van de slaapkamers van zijn huis had antwoordt hij: “ja, dat klopt.” Ook voor de tweede overtreding die hem ten laste wordt gelegd, het omzeilen van de elektriciteitsmeter door stroom af te tappen voor de zekeringen in de meterkast, bevestigt hij zijn schuld. Dit is echter niet het belangrijkste twistpunt in deze zaak: de vraag is namelijk niet of de verdachte wiet in zijn huis heeft geteeld, maar hoe lang hij zijn plantage heeft kunnen exploiteren.
Het verbouwen van wiet is één van de overtredingen die valt onder de “pluk ze” maatregel. Deze maatregel zegt dat de verdachte niet alleen een straf krijgt, maar dat daarnaast ook het financiële voordeel van het plegen van het strafbare feit wordt afgenomen. De verdachte claimt dat hij maar anderhalve maand, van december tot half januari, zijn wietplantage heeft kunnen exploiteren, en dus geen enkele keer heeft kunnen oogsten. De officier van justitie trekt dit echter in twijfel. Op de lampen in de plantage lag een stoflaag die volgens de politie meer dan anderhalve maand nodig heeft gehad om op te stapelen. Daarnaast heeft de politie ook resten van een vorige oogst in het huis aangetroffen. De officier van Justitie dateert de start van de plantage dan ook in oktober en schat dat de man 27.341,15 euro heeft verdiend aan de plantage.
De advocaat van de verdachte wijst de rechter er op dat het dateren van de start van de plantage aan de hand van een laag stof geen exacte wetenschap is. “Ik heb het wel eens gevraagd, en ze doen dit door een inschatting te maken op basis van ervaring”, vertelt hij. Hij wijst er op dat er geen verklaringen van omwonenden zijn opgenomen over de aanwezigheid van de wietplantage. Daarnaast wijst hij er op dat een van de stukken in het dossier, een rapport van een medewerker van Eneco, onrechtmatig is verkregen. De medewerker van Eneco had het huis namelijk helemaal niet mogen betreden. Andere sporen, zoals bijvoorbeeld kalkresten, zouden afkomstig kunnen zijn uit de periode voor april.
De rechter besluit echter dit bewijs wel toe te laten. De man van Eneco was daar op uitnodiging van de politie in het huis van de verdachte en mocht daar in die hoedanigheid wel degelijk zijn. Ze acht de aanwezigheid van de wietplantage voor de gehele periode bewezen en verplicht de verdachte om de gehele som van 27.341, 15 euro te betalen. Wel besluit ze, ondanks dat de verdachte geen first offender is, hem wel te veroordelen onder de first offender -richtlijn. Hij krijgt een gevangenisstraf van 2 maanden, in plaats van de 6 maanden die de officier van justitie heeft geëist.