Een docent forensische opsporingstechnieken, een politieagent en een privédetective. Wat hebben zij gemeen? Alle drie zijn zij werkzaam in een opsporingsberoep. Geen dag is hetzelfde. Toch hebben ze maar één doel voor ogen: het vinden van criminelen, en het oplossen van de misdaden die zij gepleegd hebben. Een interviewserie met Karolien Van Dijck, Seffrie Radema en Cindy X.
De Vlaamse Karolien Van Dijck (32) is docent ‘forensische opsporingstechniek’ bij de opleiding forensisch onderzoek aan de Hogeschool van Amsterdam. Daarnaast heeft ze vijf jaar geleden Karvadi opgericht, een bedrijf gespecialiseerd in forensische consultancy. Hoe zien haar colleges eruit? Welke zaken heeft zij als consultant behandeld? En hoe kijkt zij tegen DNA aan als opsporingstechniek bij strafzaken?
Wat houdt het vak forensische opsporingstechniek eigenlijk in?
“Bij de opleiding forensisch onderzoek zijn er vier belangrijke vakken: scheikunde, natuurkunde, biologie en forensische opsporingsmethoden. Ik houd me bezig met het laatste. Mijn colleges gaan over de forensische opsporingstechnieken die worden gebruikt bij het zichtbaar maken van sporen op een plaats delict, zoals vingersporen en schoensporen.”
Hoe zien uw colleges eruit?
“Ik geef les in alle vier de studiejaren. In het eerste jaar begin ik met theorie en leg ik uit wat een plaats delict is. Hoe ziet een plaats delict eruit? Welke sporen kun je daar aantreffen? Wie loopt daar allemaal rond? Vervolgens komt er meer verdieping en ga ik in op de verschillende sporentypes die er zijn, zoals glas-, vinger-, bloed- en schoensporen. Ook is er een project waarbij de eerstejaarsstudenten een inbraakcasus op papier krijgen. Zij moeten dan vertellen op welke manier ze sporen veilig gaan stellen en waarom. Vervolgens schrijven ze daar een proces-verbaal over.”
Geeft u ook praktijklessen?
“Jazeker. De eerstejaarsstudenten gaan de onderdelen die ze in het theoretische gedeelte behandeld hebben in de praktijk uitvoeren. Dus als we het gehad hebben over vingersporenonderzoek, gaan ze aan de slag met poederkwasten om sporen zichtbaar te maken. Aan het eind van het tweede jaar begint het echte werk. De studenten gaan dan aan het werk op een geënsceneerd plaats delict.
Ze gaan dan voor de eerste keer een moordonderzoek doen. Hiervoor gebruiken we de kelder onder de hogeschool of de praktijkruimte van de politieacademie. In het derde en vierde jaar gaan de studenten op stage, vaak bij het Nederlands Forensisch Instituut, een politiekorps of een advocatenkantoor. Dan krijgen ze de kans om mee te werken aan een échte zaak.”
Waar kan men Karvadi voor inschakelen?
“Ik word gevraagd door de advocatuur en de magistratuur om reviews te doen van lopende of afgestoten zaken. Eén van de zaken waaraan ik heb meegewerkt is de parachutemoord in België, de zaak van Els Clottemans. Hier heeft de verdedigende partij mij gevraagd om naar de forensische aspecten te kijken. Het ging voornamelijk om DNA-onderzoek. Ik heb ook onderzoek gedaan in de zaak Els Leemans. Deze vrouw werd verdacht van moord op haar Nederlandse man. Hier is ze uiteindelijk voor veroordeeld.”
Hoe ziet een dag er voor u uit?
“Geen dag is hetzelfde. Voor mijn baan bij de Hogeschool van Amsterdam geef ik de ene keer een hoorcollege waar ik twee uur lang het beste van mezelf geef, de andere keer zijn studenten aan het werk tijdens praktijkcolleges en begeleid ik hen. Als ik voor mijn bedrijf aan het werk ben, dan wisselt het ook. De ene dag kan het zijn dat ik gevraagd wordt om mee te gaan naar een reconstructie, terwijl ik op een andere dag uren met m’n neus in de dossiers zit en verbanden tussen zaken probeer te leggen. Ik weet vandaag niet hoe mijn dag er morgen uitziet. Het loopt altijd weer anders. Dat vind ik zo leuk aan mijn werk.”
Heeft u wel eens iets opmerkelijks meegemaakt?
“Ik blijf me verbazen over wat mensen elkaar aan kunnen doen. Sommige dingen zijn echt gruwelijk. En als ik denk dat een bepaalde zaak toch wel het ergste is dat ik heb gezien, dan komt er daarna wel weer iets wat de kroon spant.”
Wat zijn de nieuwste opsporingstechnieken?
“Er wordt elke dag wel weer iets nieuws uitgevonden. Op dit moment zijn onderzoekers bijvoorbeeld bezig om een apparaat te ontwikkelen dat bepaalt wat de ouderdom van bloed is. Dat is iets waar we 20 jaar geleden alleen nog van konden dromen. Ook konden we een aantal jaren geleden nog niet een DNA-profiel opstellen afkomstig van een huls. Als men een wapen laadde en het afvuurde, werd het DNA door de warmte afgebroken. Tegenwoordig kunnen we daar ook al DNA-profielen van opstellen.
De ontwikkelingen lopen altijd maar door. Het is een kat- en muisspel tussen de onderwereld en de forensische wereld. Vroeger droeg een misdadiger bijvoorbeeld geen handschoenen, en nu wel. Daarom wordt er onderzocht wat we kunnen doen met handschoensporen. En wat kunnen we eigenlijk met oorsporen? Het is constant in ontwikkeling.”
Wat voor rol speelt DNA volgens u bij opsporing?
“DNA is een prachtig iets en erg belangrijk bij opsporing. Maar ik heb het gevoel dat er te hard gebouwd wordt op enkel en alleen DNA. Stel dat jij ’s ochtends in een lift tegen de wand aanstaat, en ik sta er ’s middags tegenaan, dan kan het zijn dat jouw DNA op mijn trui terechtkomt. Zo kan het zijn dat jouw DNA wordt aangetroffen op het pistool dat ik heb afgevuurd.
Het is daarom belangrijk om alle sporen die op een plaats delict worden aangetroffen, te onderzoeken. Want, zijn deze wel coherent met het aangetroffen DNA-materiaal? Er moet altijd gekeken worden naar de onderlinge samenhang. Natuurlijk kan DNA soms ook heel veel oplossen. Het moet per zaak bekeken worden. Maar DNA is niet hét middel, het is een middel.”
Zie ook de interviews in deze serie met Cindy X. en Seffrie Radema
Tags: DNA, docent, forensisch, interview


